Europees Parlement
Sinds 1979 wordt het Europees Parlement (EP) rechtstreeks gekozen door burgers van de EU. Het telt nu 736 leden, die voor vijf jaar zijn gekozen. Uit Duitsland komen 99 afgevaardigden en uit Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië elk 72. Als kleinste EU-lidstaat heeft Malta 5 zetels in het Parlement. Nederland telt 25 zetels.
De parlementsleden doen hun werk niet in nationale delegaties maar in politieke fracties waarin de nationaliteiten door elkaar zitten. Met 265 leden is de Europese Volkspartij (EVP, christen-democraten en Britse conservatieven) de grootste; de Sociaal-Democratische Fractie is met 184 zetels de tweede partij en de Liberale en Democratische Fractie (waarin leden van de Nederlandse VVD én D66 zitten) telt 84 leden. Daarnaast zijn er nog verschillende andere fracties, waaronder De Groenen (55 leden).
De voltallige zittingen van het Parlement worden elke maand gedurende een week in Straatsburg gehouden. De commissies, waarin de plenaire vergaderingen worden voorbereid, en de fracties vergaderen meestal in Brussel. Het algemene secretariaat van het EP is gevestigd in Luxemburg.
De taken en bevoegdheden van het EP zijn bescheidener dan die van de nationale parlementen. Zo kan het EP bijvoorbeeld niet de hoogste EU-instelling, de Raad van Ministers, wegsturen (nationale parlementen kunnen dat met hun regeringen wel).
Taken van het Europees Parlement
Het EP heeft vooral tot taak:
- Advies over voorstellen van de Commissie.
- Controle op de Commissie. Het Parlement kan met een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen een motie van afkeuring aannemen en de Commissie zo tot aftreden dwingen. Het EP controleert of het gemeenschapsbeleid goed wordt uitgevoerd. Het maakt daarbij gebruik van de verslagen van deEuropese Rekenkamer en stelt mondeling en schriftelijk vragen aan de Commissie en de Raad.
- Controle op de uitgaven van de EU. Het Parlement heeft ‘budgettaire bevoegdheden’: het kan de begroting van de Commissie goedkeuren of verwerpen. Dat laatste is al twee keer gebeurd. De hele begrotingsprocedure moet dan opnieuw beginnen. Het EP heeft het laatste woord over de ‘niet-verplichte’ uitgaven, dat zijn de uitgaven die niet direct uit gemeenschappelijke regelingen voortvloeien. (Het grootste deel van de ‘verplichte uitgaven’ van de EU-begroting bestaat uit ondersteuning van de landbouwsector: ongeveer 50% van de begroting).
- Medewetgeven. Sinds het inwerkingtreden van de Europese Akte in 1987 geldt voor besluitvorming over Europese wetgeving een samenwerkingsprocedure. Voor zaken waarover in de Raad geen unanimiteit is vereist (besluiten met betrekking tot de interne markt, het sociale beleid, economische en sociale samenwerking, onderzoek) moeten Raad en EP samen besluiten nemen. In het Verdrag van Maastricht is een nieuwe procedure opgenomen, de medebeslissingsprocedure. Deze procedure is vergelijkbaar met de samenwerkingsprocedure, maar gaat een stap verder. Beleidsterreinen waarop de medebeslissingsprocedure van toepassing is, zijn onder andere het vrije verkeer van werknemers, de wederzijdse erkenning van diploma’s en de vrijheid van vestiging. Kort samengevat verlopen de beide procedures als volgt:
Medebeslissingsprocedure
In het geval van de medebeslissingsprocedure heeft het Parlement wel de mogelijkheid om een beslissende stem te laten horen. In een bemiddelingscomité, bestaande uit vertegenwoordigers van de Raad en het Parlement, kan het EP proberen een negatief oordeel van de Raad over wijzigingsvoorstellen van het Parlement terug te draaien. Dit bemiddelingscomité probeert tot overeenstemming te komen. Als dit lukt, dan moet zowel het Parlement als de Raad hiermee instemmen. Als er geen overeenstemming wordt bereikt, dan wordt het voorstel afgewezen wanneer het Parlement de tekst met volstrekte meerderheid van stemmen afwijst.
Het bemiddelingscomité kan ook in leven worden geroepen indien het Parlement met volstrekte meerderheid van stemmen een gemeenschappelijk standpunt verwerpt. Als het EP na de bemiddeling het gemeenschappelijk standpunt blijft verwerpen, dan wordt het besluit niet aangenomen.
Het EP heeft ook het laatste woord (instemmingsrecht) bij beslissingen over de uitbreiding van de Unie met nieuwe lidstaten en over samenwerkingsovereenkomsten met niet-lidstaten.