Europese verkiezingen
Elke 5 jaar worden er verkiezingen gehouden voor het Europees Parlement. Deze verkiezingen zijn enorm groot. Er zijn circa 375 miljoen stemgerechtigden.
De verkiezingen voor het Europees Parlement zijn geen echte Europese verkiezingen. Het zijn 27 nationale verkiezingen voor een Europees orgaan. Wel heeft de Europese Raad in 2002 enkele richtlijnen opgesteld waaraan alle lidstaten van de Europese Unie zich moeten houden, maar desondanks bestaan er nog veel verschillen in de manier waarop de verkiezingen voor het Europees Parlement plaatsvinden.
Volgens deze EU-regels moeten de Europarlementariërs in alle lidstaten worden gekozen op grond van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Wel is het mogelijk om het land onder te verdelen in kiesdistricten – zes landen hebben hiervoor gekozen, te weten België, Frankrijk, Ierland, Italië, Polen en het Verenigd Koninkrijk.
De overige landen vormen dus één groot kiesdistrict (zoals Nederland bij landelijke verkiezingen). De lidstaten mogen een kiesdrempel van maximaal 5 procent instellen. Elf landen maken gebruik van deze mogelijkheid. De kiesdrempel in deze landen ligt tussen de 3 en 5 procent.
De meeste landen houden de verkiezingen volgens lijstenstelsels, waarbinnen variaties mogelijk zijn, zoals het uitbrengen van voorkeurstemmen. Ierland, Malta en een deel van het Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland) werken met een personenstelsel, en wel met de single transferable vote. Luxemburg kent nog een variant hierop. Vier EU-landen hebben opkomstplicht, te weten België, Luxemburg, Griekenland en Cyprus. Zodra het Verdrag van Lissabon van kracht wordt, is het mogelijk om een uniforme Europese regeling voor de verkiezing van het Europees Parlement in te voeren – een regeling die overigens de goedkeuring nodig heeft van het Europees Parlement zelf.
Na de verkiezingen telt het Europees Parlement 736 zetels. Daarvan zijn er 25 voor Nederland. Wanneer het Verdrag van Lissabon geratificeerd wordt, zal Nederland 26 zetels krijgen.