Politiek ABC
Klik op een woord om de uitleg te lezen.
Of open in één keer het hele
Politiek ABC
als pdf-document.
A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z
A
Abdicatie
Actief kiesrecht
Afgevaardigde
Algemeen kiesrecht
Algemene beschouwingen
Algemene Maatregel van Bestuur
Amendementsrecht
Antithese
Artikeltwaalfgemeente
B
Beginselpartij
Beginselprogramma
Begrotingsrecht
Blanco stemmen
Budgetrecht
Buitenlanders
Burgemeester
Burgerinitiatief
C
Catshuis
Censuskiesrecht
Centraal stembureau
Coalitie
College van burgemeester en wethouders
Commissaris van de koningin
Constituerend beraad
Constitutie
Constitutioneel Hof
Constitutionele monarchie
Contraseign
D
Demissionair
Democratie
Directe democratie
Districtenstelsel
Doorbraak
Dualisme
E
Eerste Kamer
Electoraat
Enquêterecht
Evenredige vertegenwoordiging
Exit-polls
Extraparlementair kabinet
F
Formateur
Fractie
Fractiediscipline
Fractievoorzitter
G
Gedeputeerde Staten
Gedoogsteun
Gemeente
Gemeenteraad
Grondwet
Grootste partij
H
Handelingen
Hoofdelijke stemming
Hoorzitting
I-J
Informateur
Initiatiefrecht
Interim-kabinet
Interpellatierecht
K
Kabinet
Kamervoorzitter
Kandidatenlijst
Kiesdeler
Kiesdistricten
Kiesdrempel
Kieskringen
Kiesraad
Kiesrecht
Kieswet
Kiezerspas
Koning(in)
Koninklijk Besluit
Kroon
L
Leeftijd
Lijstduwer
Lijstkiesdeler
Lijstnummer
Lijsttrekker
Lijsttrekkersdebat
Lijstverbinding
M
Mandaat
Meerderheidskabinet
Meerderheidsstelsel
Memorie van antwoord
Memorie van toelichting
Miljoenennota
Minderheidskabinet
Minister van Staat
Minister zonder portefeuille
Minister-president
Ministeriële verantwoordelijkheid
Ministerraad
Monisme
Motie van wantrouwen
Motierecht
N
Nationaal kabinet
Nationaal Kiezers Onderzoek
Nieuwe partijen
O
Ongeldige stem
Onverkiesbaar
Opiniepeilingen
Opkomst
Opkomstplicht
Oppositie
Oppositieleider
Oproepingskaart
P - Q
Parlementair kabinet
Partij
Partijcongres
Passief kiesrecht
Polarisatiestrategie
Politiek leider
Prinsjesdag
Programpartij
Proteststemmen
Provinciale Staten
R
Raad van State
Referendum
Regering
Regeerakkoord
Representatieve democratie
Restzetels
Rijksbegroting
S
Staatsblad
Staatscourant
Staatssecretaris
Staten-Generaal
Statuut
Stembiljet
Stembureau
Stembus
Stemdistrict
Stemmachine
Stempas
T-U
Trias politica
Troonrede
Tweede Kamer
V
Verkiesbaar
Verkiezingscampagne
Verkiezingsprogramma
Vervroegde verkiezingen
Verzuiling
Volksinitiatief
Volmachtstem
Voorkeursdrempel
Voorkeurstem
Vrouwenkiesrecht
W-X
Waarborgsom
Waarnemers
Wethouder
Woensdag
Y-Z
---
A
Abdicatie
Afstand doen van de troon door een vorst(in). Sinds de invoering van de constitutionele monarchie in 1814 is dit drie keer gebeurd. In 1840 deed koning Willem I (1772-1843) afstand van de troon nadat hij met de Tweede Kamer in conflict was geraakt over door de Kamer gewenste grondwettelijke beperkingen van zijn bevoegdheden en over zijn financiële beleid. Daarnaast speelde het publieke rumoer omtrent het voornemen van de koning om in het huwelijk te treden met een katholieke gravin een rol in zijn besluit tot abdicatie. Hij werd opgevolgd door zijn zoon koning Willem II. In 1948 deed koningin Wilhelmina (1880-1962) afstand van de troon, enerzijds omdat zij teleurgesteld was over de terugkeer van de ‘oude’ politieke verhoudingen na de Tweede Wereldoorlog en anderzijds omdat zij na een regeerperiode van vijftig jaar plaats wilde maken voor haar dochter. Koningin Juliana (1909-2004) trad op haar beurt in 1980 af ten gunste van koningin Beatrix.
Actief kiesrecht
Het recht om te stemmen tijdens verkiezingen voor Tweede Kamer , Provinciale Staten , gemeenteraden (plus eventuele stadsdeelraden en deelgemeenteraden) en het Europees Parlement. Alle Nederlanders van achttien jaar en ouder hebben actief kiesrecht. Bij verkiezingen voor gemeenteraden, stadsdeelraden (Amsterdam) en deelgemeenteraden (Rotterdam) mag bovendien een deel van de in Nederland wonende buitenlanders stemmen. Het gaat dan om burgers van lidstaten van de Europese Unie (EU) en om niet-Nederlanders die ten minste vijf jaar legaal in Nederland wonen. Bij verkiezingen voor het Europees Parlement mogen ook in Nederland woonachtige burgers van de lidstaten van de EU stemmen. Uitgezonderd van het actief kiesrecht zijn mensen die wegens een verstandelijke handicap ‘onder curatele’ zijn geplaatst. Ook kan ontzetting uit het kiesrecht zijn opgenomen in een door de rechter opgelegde straf. Dat kan slechts bij een beperkt aantal delicten en dan alleen als men is veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar. Een bij velen bestaand misverstand is dat van alle gevangenen het kiesrecht zou zijn opgeschort.
Afgevaardigde
Lid van een vertegenwoordigend orgaan namens een politieke partij of groepering. Het aantal afgevaardigden in vertegenwoordigende organen is verschillend. De Tweede Kamer en de Eerste Kamer tellen respectievelijk 150 en 75 leden. Het aantal afgevaardigden in de Provinciale Staten is afhankelijk van het aantal inwoners van de provincie en varieert van 39 tot 55. De omvang van een gemeenteraad is afhankelijk van het aantal inwoners van de gemeente en kan uiteenlopen van 9 tot 45 leden. Het Europees Parlement telt 736 leden, van wie er 25 uit Nederland komen. In Nederland is het niet gebruikelijk dat afgevaardigden het woord rechtstreeks tot elkaar of tot de bestuurder richten, maar via de voorzitter van het betreffende orgaan met elkaar van gedachten wisselen. In debatten hoor je daarom dikwijls ‘mijnheer de voorzitter’ of ‘mevrouw de voorzitter’.
Algemeen kiesrecht
In de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw bestond in Nederland het zogeheten censuskiesrecht . Alleen een kleine groep rijke mannen mocht aan de verkiezingen meedoen, en wel op grond van de hoeveelheid belasting die ze betaalden. Aanvankelijk richtten de voorstanders van kiesrechtuitbreiding zich dan ook op verlaging van de census. Bij de grondwetsherziening van 1887 werd de groep kiezers uitgebreid naar personen die over bepaalde tekenen van ‘maatschappelijke welstand’ beschikten. In 1896 vond een verdere verruiming van het aantal kiesgerechtigden plaats. Mede als gevolg van de stijgende welvaart bezat in 1910 ongeveer 63 procent van de mannelijke bevolking stemrecht. In het eerste decennium van de twintigste eeuw nam de beweging voor algemeen kiesrecht sterk in kracht toe. Bij de grondwetsherziening van 1917 kreeg de gehele mannelijke bevolking kiesrecht, maar pas in 1919 werd het actief kiesrecht ook aan vrouwen toegekend. Van ‘algemeen kiesrecht’ is dus sprake sinds 1919. De eerste verkiezingen op basis van algemeen kiesrecht vonden plaats in 1922.
Algemene beschouwingen
Op de twee dagen na Prinsjesdag , namelijk de derde woensdag en donderdag van september, vinden in de Tweede Kamer de algemene politieke beschouwingen plaats, kortweg algemene beschouwingen genoemd. De fractievoorzitters van alle partijen in de Tweede Kamer gaan dan met elkaar en met de minister-president in debat over de hoofdlijnen van het te voeren regeringsbeleid, zoals gepresenteerd in de Troonrede , de Miljoenennota en de Rijksbegroting . De debatten vinden in twee ronden plaats: eerst spreken de fractievoorzitters, dan de minister-president , vervolgens opnieuw de fractievoorzitters waarna de minister-president het debat afsluit. De fractievoorzitters spreken in een vaste volgorde en kunnen elkaar en de minister-president interrumperen (in de rede vallen). Enkele weken na de algemene politieke beschouwingen vinden de algemene financiële beschouwingen plaats - dan debatteren de financiële woordvoerders van de fracties en de minister en staatssecretaris van Financiën over het financiële beleid van de regering en de begroting van het ministerie van Financiën.
Algemene Maatregel van Bestuur
Een AMvB is een door de regering vastgestelde algemene regeling. Meestal bevat zij een nadere uitwerking van een wet. Advies van de Raad van State is verplicht, maar medewerking van de Staten-Generaal is niet vereist. Een AMvB heeft de vorm van een Koninklijk Besluit en wordt gepubliceerd in het Staatsblad.
Amendementsrecht
Dit is het recht van de Tweede Kamer om wijzigingen op een wetsontwerp in te dienen. Van dit recht wordt vaak gebruik gemaakt. Indien het amendement door de Kamer wordt aangenomen, dan is het ontwerp conform het amendement gewijzigd. Alvorens behandeling plaatsvindt kan de minister het amendement echter ontraden of zelfs onaanvaardbaar verklaren. Mocht de Kamer in zo’n geval voet bij stuk houden, dan kan de minister het gehele wetsontwerp intrekken. De Eerste Kamer bezit geen amendementsrecht en kan een wetsontwerp slechts in zijn geheel goed- of afkeuren. Dit verschil tussen Tweede en Eerste Kamer geeft aan dat de Tweede Kamer het belangrijkste politieke orgaan is en dat de Eerste Kamer zich tot de hoofdlijnen van beleid moet beperken.
Antithese
De antithese is vanouds de tegenstelling tussen christelijke en niet-christelijke partijen. In de laatste decennia van de negentiende eeuw en de eerste decennia van de twintigste eeuw werd de politieke strijd in Nederland vooral beheerst door de tegenstelling tussen de liberalen enerzijds en de confessionelen anderzijds. De liberalen en later ook de sociaaldemocraten wilden het geloof buiten de politiek houden, terwijl de confessionelen (met name de antirevolutionairen) vonden dat geloof en politiek juist met elkaar verbonden moesten worden. Voor de antirevolutionairen was God de bron van het soevereine gezag, voor de liberalen en de sociaaldemocraten was dat het volk (volkssoevereiniteit). Inhoudelijke en culturele verschillen kwamen in de praktische politiek tot uitdrukking. Een voorbeeld hiervan was de zogeheten schoolstrijd, die ging om de financiële gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs.
Artikeltwaalfgemeente
De Nederlandse gemeenten zijn voor hun inkomsten grotendeels afhankelijk van het Rijk. Daarnaast krijgt een gemeente geld van haar eigen burgers via de zogeheten gemeentelijke belastingen. Op basis van verwachte inkomsten en uitgaven stellen gemeenten jaarlijks een begroting op. Een gemeente die er enkele jaren achtereen niet in slaagt om haar begroting sluitend te krijgen, kan het Rijk om een aanvullende uitkering vragen. Hieraan zijn twee voorwaarden verbonden: er moet inderdaad sprake zijn van structurele tekorten en de eigen inkomsten moeten tot een redelijk niveau zijn opgevoerd. Op een dergelijke gemeente is dan artikel 12 van de Financiële verhoudingswet van toepassing. We spreken in zo’n geval daarom van een artikeltwaalfgemeente. De aanvullende uitkering kan voor één of meer jaren worden toegekend.
B
Beginselpartij
Veel politieke partijen beschikken over een beginselprogramma , waarin de uitgangspunten van de betreffende partijen zijn vastgelegd. De term beginselpartij is formeel gesproken van toepassing op elke partij met een beginselprogramma, maar in de praktijk wordt deze aanduiding vooral gebruikt voor een partij die zich in haar politieke handelen sterk laat leiden door haar beginselen. Tegenover een beginselpartij staat een programpartij : die richt zich alleen op het geldende verkiezingsprogramma. In ons land is meestal sprake van een mengvorm van beide typen partijen. De orthodoxe protestants-christelijke partijen (SGP en ChristenUnie) opereren sterk vanuit hun beginselen.
Beginselprogramma
Het beginselprogramma is het basisprogramma van een politieke groepering of partij. Algemene beginselen of uitgangspunten worden hierin verwoord en toegepast op maatschappelijke en politieke vraagstukken. Een beginselprogramma wordt dikwijls ook beginselverklaring of program van uitgangspunten genoemd. De concrete uitwerking van een beginselprogramma vindt plaats in een verkiezingsprogramma .
Begrotingsrecht
Recht van de Staten-Generaal om samen met de regering de begroting van alle inkomsten en uitgaven van het Rijk voor een bepaald jaar vast te stellen en de bestemming van de uitgaven te bepalen. De Rijksbegroting moet bij wet worden vastgesteld. Dat betekent dat de door de regering ingediende begrotingswetsvoorstellen door beide Kamers der Staten-Generaal moeten worden goedgekeurd. Anders dan de Eerste Kamer kan de Tweede Kamer begrotingsvoorstellen van de regering wijzigen (omdat zij over het amendementsrecht beschikt). Na afloop van het begrotingsjaar moet de regering verantwoording afleggen aan de Staten-Generaal over de inkomsten en uitgaven van het Rijk. De Staten-Generaal hebben op het terrein van de begroting dus zowel wetgevende als controlerende bevoegdheden. Het begrotingsrecht wordt ook wel budgetrecht genoemd.
Blanco stemmen
Een kiesgerechtigde die blanco stemt gaat wel naar het stembureau, maar maakt geen gebruik van de mogelijkheid om een kandidaat dan wel partij te kiezen - hij vult niets in op het stembiljet. Het uitbrengen van een blanco stem heeft uitsluitend symbolische betekenis. Invloed op de zetelverdeling heeft de blancostemmer niet. Ook bij veel blanco stemmen blijven er geen zetels onbezet. In de tijd dat er nog opkomstplicht bestond bij verkiezingen, was blanco of ongeldig stemmen de enige manier om, bijvoorbeeld uit protest, op een legale manier niet op één van de deelnemende partijen te stemmen. Sinds de afschaffing van de opkomstplicht is blanco stemmen een manier om te laten zien dat men weliswaar geen keuze kan maken tussen de partijen, maar toch waarde hecht aan het stemrecht.
Budgetrecht
Zie begrotingsrecht .
Buitenlanders
Na ten minste vijf jaar legaal in Nederland te hebben gewoond, krijgen buitenlanders van achttien jaar en ouder stemrecht voor de verkiezingen van gemeenteraden (en deelraden in Amsterdam en Rotterdam). Ook kunnen zij zich verkiesbaar stellen. Burgers van lidstaten van de Europese Unie (EU) hebben na vestiging in Nederland onmiddellijk actief en passief stemrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en verkiezingen voor het Europees Parlement.
Burgemeester
Een burgemeester is de voorzitter van zowel het college van burgemeester en wethouders als de gemeenteraad . Als voorzitter van het college heeft de burgemeester stemrecht - zijn stem kan zelfs de doorslag geven als de stemmen van de wethouders staken. Hij heeft onder meer tot taak de eenheid van het collegebeleid te bevorderen en hij moet toezien op de kwaliteit in de verhouding tussen burgers en bestuur. Als voorzitter van de gemeenteraad heeft de burgemeester geen stemrecht - wel kan hij in de vergadering van de raad aan de discussie deelnemen. Vanouds is de burgemeester de eerstverantwoordelijke voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid in de gemeente. Hij is ook het hoofd van de brandweer. De burgemeester wordt benoemd door de Kroon , dat wil zeggen bij Koninklijk Besluit op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In de benoeming volgt de minister meestal de aanbeveling van de gemeenteraad. Een burgemeester wordt voor een periode van zes jaar benoemd.
Burgerinitiatief
Het burgerinitiatief is het recht van burgers om onderwerpen of concrete voorstellen op de agenda van een volksvertegenwoordigend orgaan te plaatsen. Dat orgaan moet hierover ook een standpunt innemen. Het burgerinitiatief is een vorm van directe democratie en kan worden beschouwd als aanvulling op het stelsel van representatieve democratie , zoals we dat in Nederland kennen. Het belangrijkste doel van het burgerinitiatief is om de band tussen burger en bestuur te versterken. Voor invoering van het burgerinitiatief is geen wettelijke regeling nodig. Het burgerinitiatief is zowel op gemeentelijk, provinciaal als landelijk niveau mogelijk.
C
Catshuis
Ambtswoning van de minister-president in Den Haag, die voornamelijk wordt gebruikt voor officiële ontvangsten. Het huis is halverwege de zeventiende eeuw gebouwd in opdracht van de dichter en politicus Jacob Cats (1577-1660).
Censuskiesrecht
In de negentiende eeuw was het stemrecht gekoppeld aan de hoeveelheid belasting die iemand betaalde. Dit systeem wordt censuskiesrecht genoemd. Door geleidelijke verlaging van het bedrag aan belasting waarboven men stemrecht kreeg, werd het aantal kiezers in de loop van de eeuw uitgebreid. In 1917 en 1919 werd het algemeen kiesrecht ingevoerd, respectievelijk voor mannen en voor vrouwen.
Centraal stembureau
Bij elke verkiezing wordt de uitslag vastgesteld door een centraal stembureau, dat de uitslagen van alle stembureaus verzamelt. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer en het Europees Parlement treedt de Kiesraad op als centraal stembureau. Het centraal stembureau zorgt voorafgaand aan de verkiezingen ook voor de registratie van politieke partijen die aan de betreffende verkiezingen meedoen.
Coalitie
Omdat geen enkele politieke partij in Nederland over een meerderheid in de Tweede Kamer beschikt, is voor het vormen van een regering altijd een coalitie van twee of meer partijen nodig. Deze coalities krijgen dikwijls een bepaalde aanduiding. Na de Tweede Wereldoorlog sprak men van rooms-rode coalities (van katholieken en sociaaldemocraten), in de jaren negentig van paarse coalities (van sociaaldemocraten en liberalen). Tevens wordt gesproken over centrumlinkse of centrumrechtse coalities, al naar gelang de politieke samenstelling van het kabinet . Na de verkiezingen van 2006 waren drie partijen nodig om een meerderheid in de Kamer te vormen.
College van burgemeester en wethouders
Het college van burgemeester en wethouders (b. en w.) vormt het bestuur van een gemeente. Als zodanig bezit het college eigen bestuursverantwoordelijkheden, onder meer op grond van allerlei landelijke wetten en regelingen. Daarnaast zorgt het college voor de voorbereiding van zaken waarover de gemeenteraad moet beslissen en voor de uitvoering van raadsbesluiten. De burgemeester wordt benoemd door de Kroon, een wethouder wordt door de raad gekozen. Het aantal wethouders is afhankelijk van het aantal inwoners van de gemeente (minimaal twee en maximaal negen). Het gemeentebeleid is een zaak van het college als geheel. Dat noemen we collegiaal bestuur. Het college en de afzonderlijke leden zijn voor het beleid verantwoording schuldig aan de gemeenteraad. Als het college niet langer het vertrouwen van de raad geniet, moet het college in zijn geheel aftreden, maar vervroegde verkiezingen zijn op gemeentelijk niveau niet mogelijk. Een nieuw college moet dan worden gevormd op basis van de bestaande zetelverdeling in de gemeenteraad.
Commissaris van de koningin
Elke provincie heeft een commissaris van de koningin. Hij is voorzitter van het college van Gedeputeerde Staten en van Provinciale Staten , maar hij heeft alleen stemrecht in het college van GS. Daarnaast ontleent de commissaris aan landelijke wetten een aantal bevoegdheden, met name op het gebied van rampenbestrijding. De commissaris van de koningin (die in Limburg gouverneur heet) wordt voor een periode van zes jaar benoemd (met de mogelijkheid van herbenoeming), en wel door de Kroon op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In de benoeming volgt de minister meestal de aanbeveling van Provinciale Staten.
Constituerend beraad
Eerste formele vergadering van een pas gevormd kabinet onder leiding van de formateur , die doorgaans minister-president wordt. De kandidaat-ministers onderschrijven in dit beraad het nieuwe regeerakkoord . Na het beraad wordt het kabinet beëdigd door het staatshoofd.
Constitutie
De fundamentele regels en beginselen die betrekking hebben op de inrichting van de staat en de verhouding tussen de staat en zijn burgers. Veel van deze regels liggen vast in de Grondwet , andere vloeien voort uit een gegroeide gewoonte, internationale verdragen of gewone wetten.
Constitutioneel Hof
Een Constitutioneel Hof is een orgaan dat bekijkt of wetten en verdragen niet in strijd zijn met de grondwet van een land. Er vindt dus een grondwettelijke toetsing plaats. Nederland heeft geen Constitutioneel Hof. De Nederlandse grondwet verbiedt de rechter zelfs om de wet aan de grondwet te toetsen. Onze buurlanden België en Duitsland, beide federale staten, beschikken wel over een dergelijk hof. Daar beslist het Constitutioneel Hof tevens in geval van conflicten in wetgeving tussen de centrale overheid enerzijds en de deelstaten anderzijds en tussen deelstaten onderling.
Constitutionele monarchie
Koningschap dat berust op een constitutie, waardoor de macht van de koning(in) beperkt is. In Nederland is de constitutionele monarchie in 1814 ingevoerd. Aanvankelijk bezat de koning nog uitgebreide bevoegdheden, maar in de grondwet van 1848 werden zij behoorlijk beknot. Er waren echter verschillende conflicten nodig tussen koning en parlement om over de feitelijke machtsverhoudingen in het land duidelijkheid te krijgen. Hoewel de koning(in) in Nederland heden ten dage over zeer weinig macht beschikt, maakt het staatshoofd – anders dan bijvoorbeeld in Zweden – wel deel uit van de regering. Daardoor speelt de koning(in) onder meer een rol in de kabinetsformatie.
Contraseign
Handtekening van een bewindspersoon onder bijvoorbeeld een wet of een Algemene Maatregel van Bestuur. Deze medeondertekening, naast die van het staatshoofd, geeft de verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon voor de inhoud van het stuk weer.
D
Demissionair
Een kabinet wordt demissionair na verkiezingen of na een kabinetscrisis. Dat betekent dat een kabinet ontslag heeft gevraagd aan de koningin, maar dat dit ontslag nog niet is verleend. In afwachting van het aantreden van een nieuw kabinet of een oplossing van de crisis blijven ministers en staatssecretarissen op hun post om lopende zaken waar te nemen. De ongeschreven regel is dat de regering in deze periode geen omstreden maatregelen meer neemt.
Democratie
Staatsvorm waarin een vertegenwoordiging van het volk de hoogste macht heeft en een overwegende invloed heeft op het regeringsbeleid. Essentiële kenmerken van een democratie zijn onder meer vrije en eerlijke verkiezingen, het bestaan van politieke partijen of groeperingen en vrije media.
Directe democratie
Van directe democratie is sprake als alle leden van een samenleving direct, zonder tussenkomst van gekozen volksvertegenwoordigers, regeren volgens het principe ‘de meeste stemmen gelden’. In de klassieke Atheense democratie (vijfde eeuw voor Christus) werden de bestuurders bij toerbeurt door het lot aangewezen. Indien besluitvorming plaatsvindt door gekozen vertegenwoordigers, spreken we van indirecte of representatieve democratie . Het bestuur wordt gevormd door mensen die van de politiek hun vak hebben gemaakt (politici). Vandaag de dag bestaan er geen democratieën die uitsluitend zijn gebaseerd op de beginselen van directe democratie. Wel zijn er landen die een mengvorm van directe en indirecte democratie kennen. Daarvan is Zwitserland een bekend voorbeeld. Ook in Nederland zijn er verschillende partijen en groeperingen die naast verkiezingen verschillende vormen van directe democratie in ons staatsbestel willen introduceren, zodat burgers rechtstreeks bij besluitvormingsprocessen worden betrokken. Een van de bekendste vormen van directe democratie is het referendum (volksraadpleging).
Districtenstelsel
Er zijn verschillende manieren om een verkiezingsuitslag te vertalen in een zetelverdeling. Van een districtenstelsel spreken we als een land in meerdere kiesdistricten is verdeeld en er per district een of meer zetels in een vertegenwoordigend lichaam toegekend worden (respectievelijk enkelvoudige en meervoudige districten). In meerderheidsstelsels worden zetels altijd per district toegekend, in evenredigheidsstelsels is dat ook mogelijk, maar niet noodzakelijk. In het Nederlandse systeem van evenredige vertegenwoordiging wordt het land als één geheel beschouwd en kennen we dus geen districtenstelsel.
Doorbraak
Term waarmee het streven na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) wordt aangeduid om de bestaande scheidslijn tussen religieuze en niet-religieuze partijen te doorbreken. Onder invloed van de economische crisis van de jaren dertig en de ervaringen van de oorlog was met name in sociaaldemocratische kring de behoefte ontstaan om het sterk verdeelde Nederlandse politieke landschap te vernieuwen. Men wilde een brede progressieve volkspartij oprichten die zowel christenen als niet-christenen zou omvatten. De doorbraak mislukte echter: de nieuwe partij (PvdA) trok toch met name sociaaldemocraten aan, terwijl de verschillende confessionele partijen gewoon bleven bestaan. Nederland bleef bovenal gekenmerkt door de verzuiling, dat wil zeggen door confessionele en sociaaleconomische scheidslijnen in politiek en samenleving. Daaraan kwam in de loop van de jaren zestig langzaam maar zeker een einde.
Dualisme
Scheiding van verantwoordelijkheid tussen volksvertegenwoordiging enerzijds en regering anderzijds, respectievelijk tussen een fractie in het parlement en de ministers van diezelfde partij in de regering. Hierdoor ontstaat een soort machtsevenwicht. Het tegenovergestelde van dualisme is monisme . Deze begrippen zijn ook van toepassing op lagere overheden. In de politieke praktijk blijkt het altijd erg lastig te zijn om te laveren tussen dualisme en monisme, niet alleen omdat bestuurders vaak loyaliteit verwachten van volksvertegenwoordigers van dezelfde politieke kleur, maar ook omdat bestuurders van verschillende politieke partijen doorgaans afspraken hebben gemaakt die vervolgens moeten worden nagekomen.
E
Eerste Kamer
Een van beide Kamers der Staten-Generaal , ook wel Senaat genoemd. De Eerste Kamer is in 1815 door koning Willem I in het leven geroepen, en wel op verzoek van de adel uit België, waarmee Nederland in dat jaar was verenigd. Op deze manier wilde de Belgische adel een plaats in het parlement krijgen. Na de afscheiding van België in 1830 bleef de Eerste Kamer bestaan. Aanvankelijk werden de Eerste-Kamerleden door de koning benoemd, maar vanaf 1848 worden zij gekozen door de leden van de Provinciale Staten . De eisen die aan het lidmaatschap van de Eerste Kamer werden gesteld (zo moest men onder meer een bepaalde hoeveelheid belasting betalen), vielen pas na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) weg. Sinds 1983 wordt de Eerste Kamer om de vier jaar gekozen, en wel in een stelsel van evenredige vertegenwoordiging . De Eerste Kamer moet in de Tweede Kamer aangenomen wetsontwerpen in hun geheel beoordelen, want zij mist het amendementsrecht . De Eerste Kamer telt 75 leden. In discussies over staatsrechtelijke vernieuwing wordt de positie van de Eerste Kamer zo nu en dan ter discussie gesteld.
Electoraat
Alle kiezers (=kiesgerechtigden) tezamen.
Enquêterecht
Recht van beide Kamers der Staten-Generaal om een kwestie tot op de bodem uit te zoeken, door middel van het horen van deskundigen en getuigen onder ede. Hiertoe stelt de Kamer uit haar midden een enquêtecommissie samen. De Tweede Kamer heeft sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog negen keer een enquête gehouden, onder meer over de bouwnijverheid en de vliegramp in de Bijlmermeer. Een enquêtecommissie maakt een verslag van haar bevindingen, dat door de Kamer wordt besproken. Een en ander kan leiden tot het aftreden van een bewindspersoon. De Eerste Kamer heeft nog nooit van het enquêterecht gebruik gemaakt.
Evenredige vertegenwoordiging
Bij een stelsel van evenredige vertegenwoordiging worden de zetels in een vertegenwoordigend lichaam na verkiezingen ongeveer naar evenredigheid van het aantal verkregen stemmen over de partijen verdeeld. Een kwart van de stemmen is dus goed voor eveneens (ongeveer) een kwart van de zetels. Kleine partijen hebben in dit systeem aanzienlijk betere kansen dan in een meerderheidsstelsel. In veel landen met een stelsel van evenredige vertegenwoordiging haalt geen enkele partij de meerderheid en moet door onderhandelingen een coalitie van verschillende partijen worden gevormd. Een vaak genoemd nadeel is dat de kiezers hierdoor geen rechtstreekse invloed hebben op de samenstelling van de regering. In Nederland is het stelsel van evenredige vertegenwoordiging in 1917 ingevoerd.
Exit-polls
Op de dag van de verkiezingen wordt bij de uitgang van een aantal speciaal geselecteerde stembureaus aan de kiezers gevraagd wat ze hebben gestemd. Deze zogenaamde 'exit-polls' (uitgangspeilingen) leveren doorgaans een goed beeld op van de einduitslag. De resultaten van deze opiniepeiling worden op televisie direct na sluiting van de stembussen (21.00 uur) bekendgemaakt. Als in de loop van de avond de echte uitslagen binnenkomen, worden de verwachtingen bijgesteld.
Extraparlementair kabinet
Kabinet dat buiten de Tweede Kamer om is samengesteld. Het heeft een losse binding met regeringsgezinde fracties. Een extraparlementair kabinet zou bijvoorbeeld kunnen bestaan uit specialisten op bepaalde terreinen, die niet of nauwelijks gebonden zijn aan programma’s van politieke partijen.
F
Formateur
Wanneer tijdens de kabinetsformatie de informateur heeft uitgezocht welke partijen samen een regering willen vormen en er een regeerakkoord is opgesteld, wordt door de koning(in) een formateur benoemd. De formateur houdt zich bezig met de portefeuilleverdeling binnen de toekomstige regering en zoekt de ministers en staatssecretarissen bij elkaar. Doorgaans is het ook de formateur die het kabinet gaat leiden en minister-president wordt.
Fractie
Alle leden van één partij in een vertegenwoordigend lichaam. Een fractie wordt geleid door een fractievoorzitter . Binnen een fractie worden de taken verdeeld: er worden afspraken gemaakt wie over welk onderwerp woordvoerder wordt. Grote fracties beschikken vaak over fractiecommissies, waarin de specialisten op een bepaald gebied met elkaar overleggen.
Fractiediscipline
Als een fractie een standpunt over een bepaald onderwerp heeft ingenomen, dienen de fractieleden zich hieraan te houden en overeenkomstig dit standpunt te stemmen. In bijzondere gevallen wordt er ruimte geboden om van een fractiestandpunt af te wijken. Soms ook leidt het schenden van de fractiediscipline tot het vertrek van een lid van de fractie.
Fractievoorzitter
De leider van een fractie. De fractievoorzitter is vaak ook de politiek leider van een partij. Hij voert bij belangrijke kwesties en bij de algemene politieke beschouwingen het woord en hij is de onderhandelaar bij de kabinetsformatie.
G
Gedeputeerde Staten
Het college van Gedeputeerde Staten (GS) vormt het bestuur van een provincie. De gedeputeerden worden gekozen door Provinciale Staten voor een periode van vier jaar. Een gedeputeerde kan niet tegelijkertijd Statenlid zijn. In het college houdt iedere gedeputeerde zich bezig met een aantal verschillende onderwerpen, zoals ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer, natuur en milieu of welzijn en cultuur. Het aantal gedeputeerden varieert per provincie en hangt af van het aantal inwoners. Het zijn er minimaal drie en maximaal negen. Gedeputeerden hebben een volledige baan aan het besturen van een provincie en krijgen daarvoor een salaris. Het college van GS is ook belast met het toezicht op de gemeentelijke financiën.
Gedoogsteun
De meestal voorwaardelijke steun aan een kabinet van een partij die zelf geen deel uitmaakt van de regeringscoalitie en die zich ook niet gebonden acht aan het regeerakkoord. Gedoogsteun is vereist wanneer er geen gewoon meerderheidskabinet kan worden gevormd.
Gemeente
De overheid bestaat in Nederland op drie niveaus: het Rijk, de provincie en de gemeente. Een gemeente is een zelfstandige bestuurseenheid op lokaal niveau. Dat is al zo sinds de Gemeentewet van 1851. Een gemeente krijgt meer dan 80 procent van haar inkomsten van het Rijk. Het bedrag is vooral afhankelijk van het aantal inwoners en de oppervlakte van een gemeente. Gemeenten mogen in heel beperkte mate ook zelf belastingen heffen (zoals de parkeerbelasting). Zowel de begroting als de jaarrekening van een gemeente moet worden goedgekeurd door het college van Gedeputeerde Staten van de provincie. De gemeente heeft een groot aantal taken te verrichten, onder meer op de terreinen van ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer, sociale zaken, onderwijs, milieu, openbare orde, welzijn en cultuur. Om de bestuurskracht van gemeenten te vergroten, is in de afgelopen decennia een groot aantal kleine gemeenten samengevoegd in een proces van gemeentelijke herindelingen. Per 1 januari 2009 telde Nederland 441 gemeenten.
Gemeenteraad
Elke gemeente heeft een gemeenteraad, die om de vier jaar rechtstreeks door de inwoners van de gemeente wordt gekozen. Het aantal raadsleden is afhankelijk van het aantal inwoners van de gemeente (minimaal 9 en maximaal 45). De leden van de raad behoren doorgaans tot een politieke partij. Dan kan het gaan om een plaatselijke afdeling van een landelijke partij, maar ook om een lokale partij of groepering. De gemeenteraad stelt de grote lijnen vast voor het beleid van de gemeente en behoort zich niet met allerlei bestuurlijke details bezig te houden. Daarnaast controleert de raad of het college van burgemeester en wethouders zijn bestuurstaken goed uitvoert. Ten slotte treedt de raad op als vertegenwoordiger van de inwoners van de gemeente. De vergaderingen van de raad worden voorgezeten door de burgemeester , maar deze heeft in de raad geen stemrecht.
Grondwet
De belangrijkste Nederlandse wet. In de Grondwet zijn onder meer de bevoegdheden van koning, regering en parlement geregeld. Ook zijn in de Grondwet de belangrijkste rechten en plichten van de burgers vastgelegd. Wijzigingen van de Grondwet moeten twee keer worden goedgekeurd, in zogeheten eerste en tweede lezing. De eerste lezing is volledig gelijk aan die van een normale wet. Beide Kamers moeten dus de voorgestelde grondwetswijziging goedkeuren. Vervolgens moeten er verkiezingen voor de Tweede Kamer plaatsvinden, waarna beide Kamers de wijziging met een tweederde meerderheid moeten goedkeuren. De eis van Kamerontbinding zou de kiezer in de gelegenheid moeten stellen zijn mening over de grondwetswijziging via zijn stem kenbaar te maken, maar omdat er met de behandeling van een grondwetswijziging in tweede lezing altijd wordt gewacht tot er reguliere verkiezingen zijn, is er van een kiezersuitspraak over de grondwetswijziging feitelijk geen sprake.
Grootste partij
De partij die bij de verkiezingen als grootste uit de bus komt heeft bepaalde - ongeschreven - voorrechten. Zo krijgt de grootste partij het initiatief bij de kabinetsformatie. De (eerste) informateur is meestal een lid van de grootste partij en mag proberen met andere partijen een coalitie te sluiten. Als het de grootste partij inderdaad lukt een regering te vormen, levert die partij bovendien de minister-president. Ook wil het gebruik dat de voorzitter van de Tweede Kamer lid is van de grootste partij. Van deze laatste regel wordt echter regelmatig afgeweken. Een goed functionerende Kamervoorzitter mag na de verkiezingen meestal blijven, ook al is zijn partij niet langer de grootste.
H
Handelingen
Woordelijke verslagen van de openbare beraadslagingen in Eerste en Tweede Kamer. Tegenwoordig zijn ze zowel in gedrukte als in digitale vorm beschikbaar.
Hoofdelijke stemming
Stemming waarbij ieder afzonderlijk zich voor of tegen een voorstel moet uitspreken.
Hoorzitting
Bijeenkomst van een bestuurslichaam of een vertegenwoordigend orgaan waarbij over bepaalde vraagstukken de opvattingen en verlangens worden gehoord van maatschappelijke groeperingen en burgers.
I
Informateur
Een dag na de verkiezingen voor de Tweede Kamer ontvangt de koningin een aantal adviseurs en de nieuw gekozen fractievoorzitters. Op basis van de zo ingewonnen adviezen benoemt zij een informateur. Deze krijgt de opdracht te onderzoeken welke coalitie kan worden gevormd. De informateur moet zich strikt houden aan de hem verstrekte opdracht, al kan die opdracht zeer ruim zijn geformuleerd. Na afronding van zijn opdracht brengt de informateur verslag uit aan de koningin. Zij benoemt vervolgens een formateur of, wanneer het de informateur niet is gelukt een meerderheidscoalitie te vinden, opnieuw een informateur. Informateurs zijn in het algemeen politici die op enige afstand van het dagelijkse politieke strijdgewoel staan.
Initiatiefrecht
Grondwettelijk recht van elk lid van de Tweede Kamer om zelf een wetsvoorstel in te dienen. Zo’n voorstel wordt door de indiener verdedigd en dus niet, zoals bij een gewoon wetsontwerp, door de betrokken minister. Het voorstel wordt pas wet als het is aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer en vervolgens is ondertekend door een minister. Van het initiatiefrecht wordt spaarzaam gebruik gemaakt.
Interim-kabinet
Tussentijds, waarnemend kabinet. Dit neemt regeringsverantwoordelijkheid op zich wanneer bijvoorbeeld één partij de regeringscoalitie voortijdig heeft verlaten. Een interim-kabinet blijft dan aan tot de verkiezingen en past als het ware op de winkel. Zo’n tussentijds kabinet is vaak een minderheidskabinet .
Interpellatierecht
Het recht van Eerste en Tweede Kamerleden om een minister of staatssecretaris voor een spoeddebat in de Kamer te ontbieden. Een Kamerlid dat een interpellatie wil houden, heeft daarvoor toestemming nodig van dertig Kamerleden.
K
Kabinet
Een kabinet bestaat uit alle ministers en staatssecretarissen. In het politieke spraakgebruik worden de termen kabinet en regering dikwijls door elkaar gebruikt, hoewel er formeel gesproken een onderscheid bestaat: de regering wordt namelijk gevormd door het staatshoofd (de koningin) en de ministers tezamen. Staatshoofd en ministers worden ook aangeduid als de ‘ Kroon ’. Daarnaast wordt vaak gesproken over de ministerraad - dat is de vergadering van de ministers zonder de aanwezigheid van staatssecretarissen. Een kabinet draagt vrijwel altijd de naam van de premier: kabinet-Kok, kabinet-Balkenende enzovoort.
Kamervoorzitter
De Kamervoorzitter leidt de werkzaamheden van de Eerste respectievelijk Tweede Kamer. De voorzitter wordt door de Kamer zelf uit haar midden gekozen. In Nederland is het niet gebruikelijk dat Kamerleden rechtstreeks tot elkaar of tot de regering spreken. Ze voeren het woord altijd via de voorzitter. Vandaar dat men in debatten of interpellaties regelmatig ‘mijnheer de voorzitter’ of ‘mevrouw de voorzitter’ hoort. De huidige voorzitter van de Tweede Kamer, G.A. Verbeet, is lid van de PvdA, de voorzitter van de Eerste Kamer is momenteel van CDA-huize (Y. Timmerman-Buck).
Kandidatenlijst
Politieke partijen bepalen grotendeels zelf wie namens de partij in een vertegenwoordigend orgaan terechtkomt. Door het congres of de leden van een partij wordt daartoe een kandidatenlijst opgesteld, meestal op voordracht van het partijbestuur of een commissie. De procedure voor het indienen van kandidatenlijsten bij de verschillende stembureaus is ingewikkeld en niet voor alle partijen of verkiezingen hetzelfde. In de volgorde waarin de kandidaten op de lijst staan, komen ze vervolgens in een vertegenwoordigend orgaan terecht. De enige manier om als laag geplaatste kandidaat toch verkozen te worden is het verzamelen van voldoende voorkeurstemmen .
Kiesdeler
Het aantal stemmen dat nodig is voor het behalen van een zetel heet de kiesdeler. Bij de Tweede-Kamerverkiezingen is dat het aantal geldige stemmen gedeeld door het aantal te verdelen zetels, 150. Bij de verkiezingen van november 2006 was de kiesdeler 65.591 stemmen (9.838.683 : 150). Bij verkiezingen zijn er vrijwel altijd partijen die de kiesdeler niet halen en dus ook geen zetel krijgen. Zetels worden verdeeld door het aantal stemmen op een partij door de kiesdeler te delen. Omdat daarna een aantal zetels overblijft is er ook een model voor verdeling van zogeheten restzetels .
Kiesdistricten
Als een land bij verkiezingen wordt onderverdeeld in kiesdistricten en er per district een of meerdere zetels kunnen worden gewonnen, spreken we van een districtenstelsel . In stelsels van evenredige vertegenwoordiging bestaan soms kiesdistricten (zoals in België); in meerderheidsstelsels is natuurlijk altijd sprake van kiesdistricten.
Kiesdrempel
Om een zetel in een vertegenwoordigend orgaan te verwerven, moet een partij een bepaald aantal stemmen (dat wordt uitgedrukt in een percentage van het totale aantal uitgebrachte stemmen) verwerven. In Nederland is de kiesdrempel gelijk aan de kiesdeler (in 2006: 0,67 procent). In veel landen is de kiesdrempel ‘kunstmatig’ verhoogd. In Duitsland bijvoorbeeld moet een partij ten minste vijf procent van de stemmen halen om zetels in het parlement te krijgen. Deze kiesdrempel is opgeworpen om te voorkomen dat veel kleine partijen in het parlement terechtkomen. Veel kleine partijen kunnen namelijk leiden tot versplintering van het parlement, waardoor het moeilijk kan worden om een regering te vormen. Hoewel er in Nederland ook wel eens stemmen opgaan om een hogere kiesdrempel in te voeren, is het verzet ertegen groot. Hoge kiesdrempels belemmeren immers (kleine) minderheden om hun politieke geluid te laten horen. In het gangbare spraakgebruik hebben we het alleen over een kiesdrempel indien deze hoger is dan de kiesdeler.
Kieskringen
Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer is Nederland verdeeld in negentien kieskringen, die een provincie of een gedeelte daarvan beslaan. De kieskringen hebben een voornamelijk administratieve betekenis. Bij het bepalen van de verkiezingsuitslag worden alle stemmen uit de verschillende kieskringen op één politieke partij gewoon bij elkaar opgeteld. Kieskringen zijn dus wat anders dan kiesdistricten .
Kiesraad
Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer treedt de Kiesraad op als centraal stembureau. In dit verband wordt een register van politieke groeperingen bijgehouden. Nieuwe landelijke politieke partijen dienen zich bij de Kiesraad te registreren alvorens ze kunnen deelnemen aan de verkiezingen. De Kiesraad is gevestigd in het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Kiesrecht
Zie actief kiesrecht en passief kiesrecht .
Kieswet
In de Kieswet zijn alle formele en praktische zaken rondom verkiezingen geregeld; van het verzenden van oproepingskaarten tot het tellen van de stemmen. De Kieswet wordt met enige regelmaat gewijzigd.
Koning(in)
Het staatshoofd van het Koninkrijk der Nederlanden. De koning(in) vormt samen met de ministers de regering (‘de Kroon ’), maar zij draagt geen politieke verantwoordelijkheid (de koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk). De traditie wil dat de koningin niet gaat stemmen. Zij behoort immers boven de partijen te staan. Tijdens de kabinetsformatie speelt de koningin enkele malen een centrale rol. De dag na de verkiezingen voor de Tweede Kamer ontvangt ze de voorzitters van beide Kamers, de vice-voorzitter van de Raad van State en alle nieuw gekozen fractievoorzitters (soms ook een minister van Staat ). Op basis van al deze adviezen geeft de koningin vervolgens een opdracht aan een informateur om de mogelijkheden te onderzoeken voor de vorming van een kabinet. Bij het opstellen van deze opdracht heeft het staatshoofd enige speelruimte. Later benoemt de koningin de formateur en uiteindelijk vindt ook de beëdiging van de ministers en staatssecretarissen door haar plaats. De beëdiging van de ministers wordt gevolgd door het bekende poseren op de trappen van Huis ten Bosch. Als grondwettelijk deel van de regering heeft ze wekelijks overleg met de premier en regelmatig ook met de andere bewindslieden.
Koninklijk Besluit
Een KB is een besluit dat buiten de Staten-Generaal om wordt genomen. Het wordt ondertekend door het staatshoofd en de betrokken bewindspersoon. Zo worden burgemeesters benoemd bij KB. Indien het KB algemeen bindende regels betreft, dan is sprake van een Algemene Maatregel van Bestuur .
Kroon
Staatshoofd en ministers tezamen, ook wel regering genoemd. De koningin is evenwel onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk.
L
Leeftijd
In 1971 is de stemgerechtigde leeftijd verlaagd naar achttien jaar. Tot 1971 mocht pas vanaf de 21ste verjaardag worden gestemd, voor 1965 was de leeftijdsgrens 23 jaar. Pas in 1983 werd ook de leeftijd waarop iemand gekozen kon worden naar achttien jaar verlaagd.
Lijstduwer
Een lijstduwer is iemand die als stemmentrekker onderaan de kandidatenlijst van een partij staat. Het is niet de bedoeling dat een lijstduwer wordt gekozen, maar het gebeurt natuurlijk wel eens. Het zijn vooral bekende Nederlanders en oud-politici die deze functie vervullen. Niet alle partijen en lijsten kennen dit verschijnsel en officieel bestaat de lijstduwer zelfs niet. Bovenaan de kandidatenlijst staat de lijsttrekker .
Lijstkiesdeler
Het aantal stemmen uitgebracht op een partij gedeeld door het aantal behaalde zetels levert de lijstkiesdeler op. Slechts enkele kandidaten halen overigens persoonlijk meer stemmen dan de lijstkiesdeler. Anderen worden verkozen door overheveling van het overschot aan stemmen dat de lijsttrekker doorgaans haalt naar lager geplaatste kandidaten. Wie te laag op de lijst staat om op deze manier gekozen te worden, heeft nog wel de mogelijkheid op voorkeurstemmen te worden gekozen.
Lijstnummer
Het is met name de uitslag van de laatste verkiezingen die de volgorde van de lijstnummers bepaalt. De grootste partij krijgt lijstnummer 1. Aan partijen die nog niet in de Tweede Kamer zaten, wordt bij loting een nummer toegekend. Het lijstnummer bepaalt waar de kandidatenlijst van een partij op het stembiljet terechtkomt. Lijst 1 staat aan de linkerkant. De lijstnummers worden vaak gebruikt op verkiezingsaffiches.
Lijsttrekker
De nummer één op de kandidatenlijst treedt in de verkiezingscampagne op als politiek leider en belangrijkste woordvoerder van de partij. Wat de lijsttrekker na de verkiezingen gaat doen staat bepaald niet vast. Na parlementsverkiezingen wordt de lijsttrekker in eerste instantie Kamerlid en zal vermoedelijk tot fractievoorzitter worden gekozen. Van partijen die tot de regering toetreden worden veel lijsttrekkers minister-president of vice-minister-president. Ook kan de verkiezingsuitslag aanleiding zijn voor het vertrek van een juist gekozen leider.
Lijsttrekkersdebat
Kort voor Tweede-Kamerverkiezingen verschijnen de lijsttrekkers van de grote partijen op televisie voor één of meer debatten. Wie daarbij mogen aanschuiven is altijd een punt van discussie vooraf. Waar ligt immers de grens tussen grote en kleine partijen? Op de grens van groot en klein zitten doorgaans partijen die rond de tien zetels in de Kamer hebben.
Lijstverbinding
De Kieswet biedt kleine partijen de mogelijkheid hun kansen op een restzetel te vergroten door een lijstverbinding aan te gaan. Bij de verdeling van de restzetels worden de partijen die onderling hun lijsten hebben verbonden als één partij beschouwd. Samen zijn de partijen zo in staat meer restzetels binnen te halen dan zonder lijstverbinding. Wie van de deelnemende partijen binnen de lijstverbinding de extra restzetel(s) krijgt is afhankelijk van de uitslag. Van de regeling wordt gebruik gemaakt door partijen die zich min of meer verwant met elkaar voelen. Bij de verkiezingen van 2006 bestonden twee lijstverbindingen: SP/GroenLinks en SGP/ChristenUnie. De eerstgenoemde combinatie won een restzetel.
M
Mandaat
Opdracht of bevoegdheid om namens en onder verantwoordelijkheid van een ander zaken af te handelen. Gekozen vertegenwoordigers hebben ook een mandaat, namelijk van de kiezer.
Meerderheidskabinet
Kabinet dat kan rekenen op de steun van een meerderheid in de Tweede Kamer. Omdat de Tweede Kamer 150 zetels telt, dient een meerderheidskabinet de steun te genieten van ten minste 76 volksvertegenwoordigers. In Nederland worden vrijwel altijd meerderheidskabinetten gevormd.
Meerderheidsstelsel
In een meerderheidsstelsel is een land verdeeld in een aantal kiesdistricten. Het meerderheidsstelsel kent zeer uiteenlopende varianten. In landen als Groot-Brittannië en de Verenigde Staten gaat de zetel van een district naar de kandidaat die er de meeste stemmen haalt. Naarmate er meer kandidaten zijn, zijn er minder stemmen nodig om een zetel te veroveren. Immers, het aantal stemmen in een district wordt dan over een groot aantal kandidaten verdeeld. Zo kan een kandidaat met een minderheid van stemmen toch worden gekozen. Dat bezwaar wordt ondervangen door het Franse systeem, waar de verkiezingen indien nodig in twee ronden plaatsvinden. Heeft geen van de kandidaten in de eerste ronde een absolute meerderheid (meer dan 50 procent van de stemmen) gehaald, dan volgt een tweede ronde tussen de kandidaten die de meeste stemmen verzamelden. Andere varianten van het meerderheidsstelsel kennen zogeheten meervoudige districten, waarbinnen meerdere kandidaten worden gekozen.
Memorie van antwoord
Schriftelijke beantwoording door de betrokken minister of staatssecretaris van eerder gestelde schriftelijke vragen over een wetsvoorstel.
Memorie van toelichting
Uitvoerige schriftelijke toelichting bij een wetsvoorstel, die allebei door (de ambtenaren van) een minister of staatssecretaris worden opgesteld. De toelichting bestaat meestal uit een algemeen gedeelte en een nadere, artikelsgewijze toelichting. Wetsvoorstel en toelichting worden in de ministerraad besproken, waarna ze voor advies naar de Raad van State gaan. Vervolgens worden de stukken naar de koningin gestuurd en aan de Tweede Kamer aangeboden.
Miljoenennota
Toelichting van de minister van Financiën op de Rijksbegroting voor het komende kalenderjaar. De nota geeft antwoord op vragen als: worden de belastingen en de uitkeringen verhoogd of verlaagd? Gaan we meer of minder geld uitgeven aan grote infrastructurele projecten? De Miljoenennota verschijnt ieder jaar op de derde dinsdag in september ( Prinsjesdag ).
Minderheidskabinet
Kabinet dat slechts kan rekenen op de steun van een minderheid in het parlement. Een minderheidskabinet wordt pas gevormd als de formatie van een meerderheidskabinet niet is gelukt omdat sommige partijen in het parlement niet met elkaar willen samenwerken om een meerderheidskabinet te vormen. Minderheidskabinetten zijn in Nederland niet gebruikelijk.
Minister van Staat
Eretitel voor personen die zich op staatkundig of politiek terrein bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt. De minister van Staat maakt geen deel uit van de ministerraad en wordt op voordracht van de ministerraad door de koningin benoemd. Soms wordt een minister van Staat door de koningin geraadpleegd bij een kabinetsformatie. Nederland telt thans acht ministers van Staat.
Minister zonder portefeuille
Bewindspersoon die niet tevens is belast met de dagelijkse leiding van een departement. Het opnemen van een minister zonder portefeuille in een kabinet gebeurt soms om een bepaald politiek evenwicht tussen partijen in het kabinet te bereiken en/of om extra aandacht te schenken aan een voor de regering belangrijk beleidsterrein. Daardoor kan het aantal ministers zonder portefeuille bij elke kabinetsformatie wijzigen. Nederland kent momenteel drie ministers zonder portefeuille: voor Jeugd en Gezin ((Rouvoet, ChristenUnie), Ontwikkelingssamenwerking (Koenders, PvdA) en Wonen, Wijken en Integratie (Van der Laan, PvdA). Een en ander komt ook tot uitdrukking in de naamgeving: het is minister van Defensie, maar minister voor Ontwikkelingssamenwerking.Tegenwoordig wordt een minister zonder portefeuille ook wel programmaminister genoemd.
Minister-president
De minister-president - ook wel premier genoemd - is de voorzitter van de ministerraad. Meestal is de premier lid van de grootste regeringsfractie en politiek leider van zijn partij. De minister-president beheert een eigen departement: het Ministerie van Algemene Zaken. De premier onderhoudt tevens de wekelijkse contacten met het staatshoofd. De naam van de minister-president wordt altijd verbonden aan de naam van het kabinet. We hebben nu het kabinet-Balkenende IV. De IV geeft in dit geval aan dat het hier om het vierde kabinet-Balkenende gaat.
Ministeriële verantwoordelijkheid
De ministeriële verantwoordelijkheid is in 1848 in de Grondwet verankerd. Zij houdt twee dingen in, die nauw met elkaar samenhangen. Ten eerste zijn de ministers aansprakelijk voor daden van het staatshoofd. Volgens de grondwet is de koning namelijk ‘onschendbaar’: ieder optreden van het staatshoofd wordt gedekt door de verantwoordelijkheid van de betrokken ministers. Ten tweede houdt de ministeriële verantwoordelijkheid in dat de ministers en staatssecretarissen geen verantwoording afleggen tegenover het staatshoofd, maar tegenover de Staten-Generaal .
Ministerraad
Alle ministers tezamen. De ministerraad vergadert elke vrijdag. Daarna geeft de minister-president een persconferentie. Het kabinet-Balkenende IV heeft zestien ministers. Vergaderingen van de ministerraad worden niet bijgewoond door de staatssecretarissen, maar zij kunnen wel worden uitgenodigd. Een uitzondering vormt de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (belast met Europese Zaken), die uit hoofde van zijn functie de vergaderingen van de ministerraad wel bijwoont. Staatssecretarissen hebben geen stemrecht in de ministerraad.
Monisme
Situatie waarin het kabinet en de regeringsfracties nauw met elkaar samenwerken en de verschillende coalitiepartijen vrijwel geen kritiek leveren op de eigen bewindslieden. Er is dus geen sprake van een zeker machtsevenwicht, zoals bij dualisme wel het geval is.
Motie van wantrouwen
Uitspraak van een vertegenwoordigend lichaam (op nationaal, provinciaal of gemeentelijk niveau) waarin het vertrouwen in het gevoerde beleid wordt opgezegd. Aanvaarding van een motie van wantrouwen leidt meestal tot het aftreden van het orgaan of de persoon tegen wiens beleid de motie is gericht. In Nederland is het niet gebruikelijk om moties van wantrouwen tegen een kabinet of een minister in te dienen, maar in andere landen gebeurt dat regelmatig.
Motierecht
Recht van Eerste en Tweede Kamer om moties in te dienen. In een motie spreekt de Kamer een oordeel uit over een bepaald aspect van het regeringsbeleid en doet zij een verzoek aan de regering. Een bewindspersoon hoeft een motie niet uit te voeren.
N
Nationaal kabinet
Een kabinet dat is samengesteld uit ministers van alle grote politieke partijen. Een nationaal kabinet zal slechts in uitzonderlijke crisissituaties tot stand komen.
Nationaal Kiezers Onderzoek
Voor en na de verkiezingen wordt in opdracht van de rijksoverheid onderzoek gedaan naar het stemgedrag van kiezers. Alle verzamelde gegevens maken deel uit van het Nationaal Kiezers Onderzoek (NKO), dat enige tijd na de verkiezingen wordt gepubliceerd. Het is de belangrijkste bron van gegevens over verschillen in stemgedrag naar factoren als leeftijd, opleiding en geslacht.
Nieuwe partijen
Aan verkiezingen voor vertegenwoordigende organen wordt vrijwel altijd ook deelgenomen door een aantal nieuwe partijen en al langer bestaande partijen die nog niet in het betreffende orgaan zitten. Om deel te nemen aan de verkiezingen moeten dergelijke partijen een waarborgsom storten: 11.250 euro bij verkiezingen voor Tweede Kamer en Europees Parlement, 1250 euro bij verkiezingen voor Provinciale Staten en 225 euro bij gemeenteraadsverkiezingen. De waarborgsom wordt terugbetaald als de partij ten minste 75% van de kiesdeler heeft gehaald. Ook moeten de kandidatenlijsten van een partij in alle kieskringen waarin zij aan de verkiezingen meedoet met handtekeningen worden ondersteund: bij verkiezingen voor Tweede Kamer, Europees Parlement, Provinciale Staten door dertig kiezers. Voor gemeenteraadsverkiezingen is het aantal handtekeningen afhankelijk van de omvang van de raad: dertig bij meer dan 39 leden, twintig bij meer dan 19 leden en tien bij minder dan 19 leden. Bedoeling van de regelingen is dat alleen serieuze partijen aan de verkiezingen meedoen.
O
Ongeldige stem
Een stem is ongeldig als er op het stembiljet met het rode potlood is gekrast of als er verschillende rondjes voor kandidaten zijn ingevuld.
Onverkiesbaar
Laag op de lijst geplaatste kandidaten heten vaak ‘onverkiesbaar’ te zijn. Partijen maken een inschatting van het aantal zetels dat gehaald gaat worden. Ongeveer dat aantal plaatsen op de lijst krijgt het predikaat ‘verkiesbare plaats’. Uiteraard kan het aantal zetels hoger uitvallen. Ook kunnen laag geplaatste kandidaten via voorkeurstemmen worden verkozen. Echt onverkiesbaar zijn de onverkiesbaren dan ook niet, hooguit ‘kansarm’, om het in politiek jargon uit te drukken.
Opiniepeilingen
Neem een representatieve steekproef van ongeveer duizend mensen, vraag ze wat ze denken te gaan stemmen bij de komende verkiezingen en je hebt nieuws. In de maanden voorafgaand aan verkiezingen worden ten minste één keer per week de opinies gepeild. Kranten en televisie houden nauwkeurig bij of de aanhang van partijen groeit of afneemt en verklaren waarom dat gebeurt.
Opkomst
Het aantal personen dat bij verkiezingen opkomt om te stemmen. De opkomst wordt uitgedrukt in percentages van het aantal kiesgerechtigden. Bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 2006 bedroeg de opkomst 80,35%. Die voor de verkiezingen van Provinciale Staten, in 2007, was beduidend lager: 46,3%. Bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2009 bracht slechts 36,8% zijn stem uit. Van een duidelijke trend in de richting van toename of afname van de opkomst is geen sprake. Wel weten landelijke verkiezingen veel meer mensen naar de stembus te trekken dan provinciale of Europese verkiezingen.
Opkomstplicht
Bij de Kamerverkiezingen gold in 1967 voor de laatste keer de opkomstplicht. Deze is in 1970 in Nederland afgeschaft. Bij de eerste vrijwillige Kamerverkiezingen, in 1971, liet 20,9% van de kiezers verstek gaan. In België bestaat nog steeds opkomstplicht.
Oppositie
De partijen in de Tweede Kamer die zich verzetten tegen het regeringsbeleid vormen tezamen de oppositie. Soms blijken partijen erg veel moeite te hebben om over te schakelen van de coalitie naar de oppositie. In de jaren 1994-2002 was het CDA de grootste oppositiepartij, van medio 2002 tot voorjaar 2007 de PvdA. Nu zijn dat de SP en de VVD. Er zijn natuurlijk ook partijen die nog nooit in de regering hebben gezeten, zoals GroenLinks, de SP en de SGP, en daardoor permanent deel uitmaken van de oppositie. Bij specifieke onderwerpen kunnen oppositiepartijen natuurlijk gewoon met de coalitiepartijen meestemmen.
Oppositieleider
De leider van de oppositie, meestal de fractievoorzitter van de belangrijkste oppositiepartij.
Oproepingskaart
De oproep om te gaan stemmen wordt door de gemeente ten minste twee weken voor de verkiezingen verspreid. Gegevens daarvoor worden ontleend aan de Gemeentelijke Basisadministratie. Vanaf een maand voor de verkiezingen kunnen mensen die menen kiesgerechtigd te zijn bij de gemeente navragen of ze ook werkelijk als kiezer in de administratie zijn opgenomen. Tot 2010 maakten gemeenten gebruik van een oproepingskaart of een stempas. Op de oproepingskaart stond vermeld in welk stembureau de kiezer zijn stem kon uitbrengen. Vanaf 2010 krijgen alle kiesgerechtigden een stempas, waarmee ze op elk stembureau in de gemeente terecht kunnen. De kiezer moet zich wel legitimeren.
P
Parlementair kabinet
Kabinet dat het vertrouwen van een meerderheid in het parlement geniet. Zie ook meerderheidskabinet .
Partij
Vereniging van burgers die bepaalde uitgangspunten en opvattingen ten aanzien van de inrichting van de maatschappij delen en die kandidaten stelt voor vertegenwoordigende lichamen. De eerste politieke partij was de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), opgericht in 1879, later opgegaan in het CDA. Wettelijk is er niet veel geregeld rond politieke partijen. Wel bepaalt de Kieswet (die overigens spreekt van ‘politieke groeperingen’) dat een partij een vereniging moet zijn die bij notariële akte is opgericht. De officiële taak van politieke partijen is uitsluitend het stellen van kandidaten voor verkiezingen. In het verlengde daarvan stellen de meeste partijen uiteraard een verkiezingsprogramma op en organiseren ze allerlei activiteiten voor hun leden en in het kader van de verkiezingscampagne. Daartoe zijn partijen dus weliswaar niet verplicht, maar voor het behalen van stemmen is het wel verstandig het te doen.
Partijcongres
Het beleid van de meeste partijen wordt bepaald door een partijcongres. Zo’n congres stelt bijvoorbeeld de kandidatenlijst op, keurt het verkiezingsprogramma goed en benoemt een partijbestuur. Per partij verschilt de samenstelling van het partijcongres sterk. In sommige partijen hebben alle leden tijdens het congres het recht te spreken en te stemmen (one man, one vote), andere partijen kennen een congres van afgevaardigden. Die afgevaardigden worden vaak benoemd door plaatselijke of regionale partijafdelingen.
Passief kiesrecht
Het recht om gekozen te worden in een bepaalde vertegenwoordigende functie. In het algemeen kan gesteld worden dat het passief kiesrecht geldt voor die mensen die ook actief kiesrecht hebben.
Polarisatiestrategie
Strategie gericht op verscherping van de tegenstellingen in de politiek of in de maatschappij. De Partij van de Arbeid (PvdA) voerde in de jaren zeventig een polarisatiestrategie om zich als partij duidelijk te profileren ten opzichte van andere partijen. De polarisatiestrategie was vooral gericht tegen de confessionele partijen, die zich in het midden van het politieke spectrum begaven.
Politiek leider
De belangrijkste politicus van een partij. De politiek leider bepaalt meestal het gezicht van een partij. De politiek leider van een regeringspartij behoeft niet per se premier of minister te zijn; ook de fractievoorzitter kan politiek leider zijn. Bij oppositiepartijen is de fractievoorzitter doorgaans politiek leider.
Prinsjesdag
De derde dinsdag in september. Op die dag rijdt de koningin (het staatshoofd) in de gouden koets naar de Ridderzaal aan het Binnenhof te Den Haag. Daar geeft zij in een verenigde vergadering van beide Kamers der Staten-Generaal een uiteenzetting over het te voeren beleid: de Troonrede . Op dezelfde dag dient de minister van Financiën bij de Tweede Kamer de Rijksbegroting voor het volgende jaar en de Miljoenennota in.
Programpartij
Anders dan een beginselpartij richt een programpartij zich alleen op het geldende verkiezingsprogramma.
Proteststemmen
Kiezers die ontevreden zijn over de gevestigde partijen stemmen soms om die reden op een partij die zich sterk afzet tegen de bestaande politieke en maatschappelijke verhoudingen. Vaak zijn dat partijen die geheel ter linker- of ter rechterzijde van het politieke spectrum opereren. In 2002 wist de nieuwe Lijst Pim Fortuyn (LPF) veel proteststemmen te vergaren. De partij kwam met 26 zetels in de Tweede Kamer.
Provinciale Staten
Nederland telt twaalf provincies en elke provincie heeft een eigen vertegenwoordigend orgaan: de Provinciale Staten. Dit provinciale parlement wordt eens in de vier jaar door de inwoners van de provincie gekozen. Naast de landelijke partijen doen soms ook speciale, aan de provincie gebonden groeperingen aan die verkiezingen mee. Het aantal leden van de Provinciale Staten is afhankelijk van het aantal inwoners per provincie: de kleinste provincies hebben 39 Statenleden en de grootste provincies hebben er 55. Het bestuur van de provincie is in handen van het college van Gedeputeerde Staten (GS). Provinciale Staten stellen de hoofdlijnen van het beleid vast en moeten Gedeputeerde Staten controleren. De vergaderingen van de Provinciale Staten worden voorgezeten door de commissaris van de koningin , maar deze heeft hierin geen stemrecht.
Q
Quorum
Minimum aantal leden dat aanwezig moet zijn om in een vergadering besluiten te kunnen nemen.
R
Raad van State
De Raad van State is het adviesorgaan van de regering inzake wetgeving. De Raad heeft een afdeling voor geschillen van bestuur en kent verder een afdeling rechtspraak. Het staatshoofd is formeel voorzitter, maar de vice-voorzitter leidt de vergaderingen en werkzaamheden van de Raad.
Referendum
In veel landen bestaat de mogelijkheid om over bepaalde belangrijke onderwerpen een volksraadpleging te houden, een referendum. Een referendum kan verschillende vormen aannemen: het kan bijvoorbeeld bindend of niet-bindend zijn. Het initiatief kan van de regering of van het parlement uitgaan, maar het onderwerp van het referendum kan ook door de burgers zelf worden aangedragen. In dat laatste geval spreken we van een volksinitiatief . Invoering van het referendum in Nederland vormt al jaren een splijtzwam tussen de belangrijkste politieke partijen. Momenteel kunnen alleen in gemeenten en provincies referenda worden gehouden op grond van gemeentelijke of provinciale referendumverordeningen. Op 1 juni 2005 vond een landelijk referendum plaats over het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa. Hiervoor moest de Tweede Kamer wel een speciale referendumwet aannemen. In Nederland zijn referenda niet bindend, want daarvoor zou een grondwetswijziging nodig zijn, maar politieke partijen kunnen de uitslag wel overnemen. De referenda zijn een vorm van directe democratie .
Regeerakkoord
Bij de vorming van een regeringscoalitie tijdens de kabinetsformatie worden de door de samenwerkende partijen gemaakte afspraken vastgelegd in een regeerakkoord. Een dergelijk akkoord is nodig om de verschillen tussen de verkiezingsprogramma's van de partijen te overbruggen. In de jaren tachtig en negentig werden de afspraken dikwijls tot in het kleinste detail vastgelegd; bij de kabinetsformaties van 2002 en 2003 ging het vooral om de hoofdlijnen van het beleid. Het regeerakkoord van 2007 was weer omvangrijker.
Regering
Formeel gesproken wordt de regering gevormd door het staatshoofd en de ministers tezamen. We noemen dit ook wel ‘de Kroon ’. Zie ook kabinet en ministerraad
Representatieve democratie
In een representatieve democratie vindt de besluitvorming plaats via gekozen volksvertegenwoordigers. Op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau bestaan daartoe vertegenwoordigende organen, waarvan de leden rechtstreeks worden gekozen. Alle democratieën zijn representatieve of indirecte democratieën. In veel landen wordt het stelsel van representatieve democratie echter aangevuld of gecombineerd met vormen van directe democratie , zoals het referendum .
Restzetels
Bij vaststelling van de verkiezingsuitslag wordt het stemmenaantal van alle partijen gedeeld door de kiesdeler. Dat levert de partijen een bepaald aantal zetels op, voor het aantal keren dat ze de kiesdeler hebben gehaald. Omdat nooit alle partijen een exact aantal malen de kiesdeler hebben gehaald, blijven er in eerste instantie zetels over, de zogeheten restzetels. Die worden verdeeld volgens het systeem van de ‘grootste gemiddelden’. Van alle partijen wordt berekend hoeveel stemmen ze gemiddeld per zetel zouden hebben als ze één zetel meer zouden krijgen. De restzetels worden vervolgens toegekend aan partijen met het hoogste gemiddelde ( zie ook ' de zetelverdeling ' onder het thema Verkiezingen, dossier Spelregels). Bedoeling van dit systeem is dat uiteindelijk het gemiddeld aantal kiezers per Kamerzetel zo hoog mogelijk ligt. Kleine partijen hebben daardoor minder kans op restzetels; een probleem dat gedeeltelijk ondervangen kan worden door het aangaan van een lijstverbinding .
Rijksbegroting
De Rijksbegroting is de door de regering opgestelde begroting voor het volgende kalenderjaar. Zij wordt tezamen met de Miljoenennota op Prinsjesdag gepresenteerd, waarna zij in de Tweede Kamer per ministerie wordt behandeld.
S
Staatsblad
Het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden is de officiële uitgave van de staat, waarin wetten, Algemene Maatregelen van Bestuur en Koninklijke Besluiten worden bekendgemaakt.
Staatscourant
De Staatscourant is het officiële dagblad van het Koninkrijk der Nederlanden, waarin allerlei overheidsmededelingen worden gepubliceerd.
Staatssecretaris
Een soort onderminister, die verantwoordelijk is voor een deel van de werkzaamheden van een ministerie. Een staatssecretaris is geen lid van de ministerraad , maar kan wel worden uitgenodigd om aan het beraad deel te nemen. Alleen de staatssecretaris van Europese Zaken neemt gewoonlijk deel aan de vergaderingen van de ministerraad. Bij een conflict met de Tweede Kamer kan een staatssecretaris aftreden zonder dat dit gevolgen heeft voor zijn minister. Als een minister aftreedt, dient ook een staatssecretaris formeel zijn ontslag in. Deze kan daarna wel worden herbenoemd.
Staten-Generaal
Eerste en Tweede Kamer samen heten officieel de Staten-Generaal. Na de invoering van de constitutionele monarchie in 1814 vormden de Staten-Generaal (sinds 1464 een overlegorgaan van de gewestelijke staten) nog geen volksvertegenwoordiging, maar een vertegenwoordiging van de gewesten en van de standen. In de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw ontwikkelde de Staten-Generaal zich tot een volksvertegenwoordiging. Nu wordt de Eerste Kamer door de provinciale afgevaardigden en de Tweede Kamer rechtstreeks door de bevolking gekozen.
Statuut
Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden regelt de staatkundige verhouding tussen de drie landen van het Koninkrijk, te weten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. De Nederlandse Grondwet en de Staatsregelingen van de Nederlandse Antillen en Aruba zijn aan het Statuut ondergeschikt. In het Statuut zijn de onderwerpen van wetgeving en bestuur aangegeven die op het niveau van het Koninkrijk worden behartigd. Dat noemen we de Koninkrijksaangelegenheden. Alle andere onderwerpen zijn landsaangelegenheden. Het Statuut kan alleen met instemming van de drie landen worden gewijzigd.
Stembiljet
Het formulier waarop een stem moet worden uitgebracht. Dat moet geschieden met het bijbehorende rode potlood. Op het stembiljet staan alle kandidaten van de partijen vermeld die aan de verkiezingen meedoen.
Stembureau
Scholen, buurthuizen en andere (semi-)overheidsgebouwen doen bij de verkiezingen dienst als stembureau. In elk stembureau zorgen drie personen voor de goede gang van zaken. Zij houden bij wie heeft gestemd en zien toe op een eerlijk verloop. In of in de omgeving van stembureaus is het maken van reclame voor een politieke partij strikt verboden. De stembureaus zijn van 7.30 tot 21.00 uur geopend.
Stembus
Het stembiljet moet worden gedeponeerd in een stembus. De 'gang naar de stembus’ wordt vaak gebruikt als synoniem voor (het deelnemen aan) verkiezingen.
Stemdistrict
Gemeenten worden bij verkiezingen verdeeld in stemdistricten, ieder met een eigen stembureau .
Stemmachine
Officieel omschreven als ‘elektronische stemmachine’. Tijdwinst is er vooral bij het tellen van de stemmen. De stemmachine was de afgelopen jaren in vrijwel alle gemeenten in gebruik genomen, maar wegens gebreken in de veiligheid zal vooralsnog weer uitsluitend met het rode potlood worden gestemd.
Stempas
De oproep om te gaan stemmen. Deze wordt door de gemeente ten minste twee weken voor de verkiezingen verspreid. Gegevens daarvoor worden ontleend aan de Gemeentelijke Basisadministratie. Vanaf een maand voor de verkiezingen kunnen mensen die menen kiesgerechtigd te zijn bij de gemeente navragen of ze ook werkelijk als kiezer in de administratie zijn opgenomen. Tot 2010 maakten gemeenten gebruik van een oproepingskaart of een stempas. Op de oproepingskaart stond vermeld in welk stembureau de kiezer zijn stem kon uitbrengen. Vanaf 2010 krijgen alle kiesgerechtigden een stempas, waarmee ze op elk stembureau in de gemeente terecht kunnen. De kiezer moet zich wel legitimeren.
T
Trias politica
De scheiding der machten in een staat in de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Het belang van de scheiding der machten is geformuleerd door de Franse baron De Montesquieu (1689-1755). Tegenwoordig is van een strikte scheiding der machten geen sprake meer. Zo zijn zowel parlement (wetgevende macht) als regering (uitvoerende macht) gezamenlijk verantwoordelijk voor wetgeving.
Troonrede
Toespraak van de koningin op Prinsjesdag . Zij houdt deze toespraak in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De Troonrede bevat een uiteenzetting van het te voeren regeringsbeleid en is dan ook door de regering geschreven.
Tweede Kamer
Een van de Kamers der Staten-Generaal. De Tweede Kamer maakt samen met de regering wetten en controleert de regering. De 150 leden worden voor vier jaar rechtstreeks door de bevolking gekozen. De Tweede Kamer heeft een aantal rechten, te weten het goedkeuringsrecht, het amendementsrecht , het begrotingsrecht , het enquêterecht , het initiatiefrecht , het interpellatierecht en het motierecht . Aanvankelijk, sinds de grondwet van 1815, werden de leden van de Tweede Kamer door de Provinciale Staten (= indirect) gekozen. De grondwet van 1848 bepaalde dat de Tweede Kamer voortaan direct werd gekozen, en wel op basis van een districtenstelsel en het censuskiesrecht . Bij de grondwetsherziening van 1887 is het aantal leden van de Tweede Kamer op 100 gesteld (daarvoor varieerde het aantal leden). In 1917, met de invoering van het algemeen kiesrecht , is het districtenstelsel vervangen door het systeem van evenredige vertegenwoordiging . In 1956 is het aantal leden uitgebreid tot 150. De Kamer kiest uit haar midden een voorzitter. In de Tweede Kamer zijn momenteel (2009) elf politieke groeperingen vertegenwoordigd, waarvan er drie tot de coalitie behoren. Zie ook Eerste Kamer .
V
Verkiesbaar
Van kandidaten wordt wel gezegd dat ze wel of niet verkiesbaar zijn. Officieel bestaat dit onderscheid uiteraard niet. Alle kandidaten op lijsten van partijen zijn verkiesbaar. Wel is het zo dat kandidaten hoger op de lijst meer kans maken verkozen te worden. Doorgaans wordt op basis van het verwachte aantal zetels van een partij een aantal kandidaten als ‘verkiesbaar’ omschreven. Lager geplaatste kandidaten kunnen alleen op basis van voorkeurstemmen worden gekozen.
Verkiezingscampagne
De periode voorafgaand aan de verkiezingen wordt wel aangeduid als de verkiezingscampagne. De datum waarop partijen starten met hun campagne wisselt per partij. Vaak markeert een grote bijeenkomst van een partij de campagnestart. Tijdens de campagne gaan partijleden de straat op met folders, treden politici door het hele land op met spreekbeurten en is er veel aandacht voor politiek in de media. Maar al maanden voor de verkiezingen beginnen politici in hun optreden rekening te houden met het naderen van de verkiezingen. Vaak valt dan ook maanden voor de verkiezingen te horen dat de campagne is begonnen.
Verkiezingsprogramma
Vrijwel alle partijen stellen voorafgaand aan verkiezingen een verkiezingsprogramma op. Doorgaans zijn het vrij uitvoerige teksten waarin de plannen en ideeën van een partij worden opgesomd. Steeds meer partijen produceren daarnaast een verkorte versie van het programma, geschreven voor een breder lezerspubliek.
Vervroegde verkiezingen
Verkiezingen voor de Tweede Kamer zijn er om de vier jaar, tenzij het kabinet binnen die tijd ten val komt. Dan vinden vervroegde verkiezingen plaats, binnen een bepaalde periode na het aftreden van het kabinet. De regering kan zonder kabinetscrisis niet besluiten de verkiezingen te vervroegen, zoals bijvoorbeeld in Groot-Brittannië mogelijk is. Daar kan de regering bij gunstige opiniepeilingen proberen een verkiezingswinst zeker te stellen door de verkiezingen te vervroegen. Vervroegde verkiezingen voor gemeenteraad en Provinciale Staten zijn in Nederland niet mogelijk. Als bijvoorbeeld een gemeentebestuur ten val komt, moet er een nieuw bestuur worden gevormd op basis van de bestaande zetelverdeling in de gemeenteraad.
Verzuiling
De verdeling van een maatschappij in verschillende groepen op grond van geloofs- of levensovertuiging. Nederland was tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw een sterk verzuild land. Er bestonden vier zuilen: de katholieke, de protestants-christelijke, de socialistische en de algemene (liberale) zuil. Elke zuil had zijn eigen organisaties op de meest uiteenlopende terreinen: van vakbonden via media tot sportclubs. Tussen de zuilen bestonden weinig contacten. Aan de top van de zuilen, in de politiek, was echter wel sprake van samenwerking en compromisvorming. In de loop van de jaren zestig brokkelde de verzuilde maatschappij in hoog tempo af. Dat proces noemen we ontzuiling. Het had te maken met allerlei maatschappelijke ontwikkelingen in die jaren, zoals de ontkerkelijking en de individualisering.
Volksinitiatief
Het volksinitiatief is een vorm van directe democratie . Een volksinitiatief is een referendum over nieuwe, door de burgers aangedragen onderwerpen. Het is dus niet alleen een referendum dat door burgers is aangevraagd, maar ze leveren zelf ook het ter stemming gebrachte voorstel. De uitslag van een volksinitiatief kan bindend of raadgevend zijn. Een van de bekendste landen met een volksinitiatief is Zwitserland.
Volmachtstem
Wie op vakantie is of om een andere reden niet in staat is om te stemmen, kan bij volmacht stemmen. Een andere stemgerechtigde kan namens de afwezige kiezer stemmen. Instructies voor het verlenen van een volmacht staan achter op de oproepingskaart .
Voorkeursdrempel
Wie met voorkeurstemmen gekozen wil worden, hoeft niet persoonlijk het aantal stemmen nodig voor een zetel (de kiesdeler ) te halen. Reeds wanneer een kandidaat 25% van de kiesdeler heeft gehaald, komt hij in aanmerking voor een zetel. De partij moet dan in totaal wel voldoende zetels hebben behaald om de kandidaten met de meeste voorkeurstemmen een zetel te bezorgen. Deze voorkeursdrempel van 25% van de kiesdeler kwam in 2006 neer op 16.398 stemmen.
Voorkeurstem
Bij de verkiezingen wordt formeel niet op een partij, maar op een kandidaat gestemd. Veel mensen kiezen eenvoudigweg voor de hoogste op de lijst, de lijsttrekker . Toch geven ook veel mensen de voorkeur aan een lager geplaatste kandidaat en brengen een zogenaamde voorkeurstem uit. Kandidaten die te laag op de lijst staan om automatisch één van de zetels van de partij in de wacht te slepen, kunnen een zetel halen door meer voorkeurstemmen dan de zogeheten voorkeursdrempel te halen.
Vrouwenkiesrecht
Lange tijd was deelname aan de politiek voorbehouden aan mannen. Pas in 1919 is aan vrouwen het actief kiesrecht toegekend. Het passief kiesrecht bestond voor vrouwen weliswaar iets eerder, maar ook daarvan is pas (geruime tijd) na 1919 op grote schaal gebruik gemaakt. Nog altijd ligt het aantal vrouwelijke politici aanmerkelijk lager dan het aantal mannen in de politiek.
W
Waarborgsom
Om deel te nemen aan verkiezingen moeten nieuwe partijen een waarborgsom storten: 11.250 euro bij verkiezingen voor Tweede Kamer en Europees Parlement, 1250 euro bij verkiezingen voor Provinciale Staten en 225 euro bij gemeenteraadsverkiezingen. De waarborgsom wordt terugbetaald als de partij ten minste 75% van de kiesdeler heeft gehaald. De regeling is bedoeld om minder serieuze partijen ervan te weerhouden deel te nemen aan de verkiezingen.
Waarnemers
In berichten over verkiezingen elders in de wereld duiken regelmatig waarnemers op: mensen die toezien op het eerlijke verloop van de verkiezingen. Ze verschijnen alleen in die landen waar kennelijk aan de eerlijkheid van de verkiezingen wordt getwijfeld. Incidenteel verschijnen ook in Nederland waarnemers. Het is een ander soort waarnemers: meestal gaat het om 'studiereizen' uit landen die minder lang ervaring met de organisatie van verkiezingen hebben.
Wethouder
Een wethouder is lid van het college van burgemeester en wethouders . Een wethouder wordt door de gemeenteraad benoemd. Als wethouders uit de gemeenteraad zelf afkomstig zijn, moeten ze na aanvaarding van hun functie het raadslidmaatschap opgeven. Het is ook mogelijk om wethouders van buiten de raad te benoemen, zelfs als ze in een andere gemeente wonen. In het laatste geval moeten ze dan wel binnen een jaar verhuizen naar de gemeente waarin ze wethouder zijn geworden. Het wethouderschap is meestal een voltijdse baan; anders dan een gemeenteraadslid krijgt een wethouder daarom een salaris. Tussen raad en wethouder geldt, evenals tussen de Tweede Kamer en de minister, de vertrouwensregel. Een wethouder kan door de gemeenteraad worden afgezet indien hij niet langer het vertrouwen van de raad geniet. Een opengevallen plaats wordt over het algemeen opgevuld door een ander lid van de partij van de vertrokken wethouder.
Woensdag
In veel landen vinden verkiezingen op zondag plaats. Het is met name de protestantse traditie die ervoor heeft gezorgd dat Nederland altijd op een werkdag stemt, namelijk op woensdag (er zijn uitzonderingen, zoals in 2006 voor de gemeenteraden). De verkiezingen voor het Europees Parlement vinden doorgaans op donderdag plaats, want daarvoor zijn in de Europese Unie vier dagen gereserveerd: donderdag tot en met zondag.
Z
Zendtijd
Wanneer een partij deelneemt aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer levert dat zendtijd op radio en tv op. In het kader van de zendtijd voor politieke partijen mogen alle deelnemende partijen zich aan de kijkers en luisteraars presenteren. Dit systeem garandeert voor alle partijen een (minimale) toegang tot de media. De uitzendingen zijn echter kort en worden door een beperkt publiek bekeken en beluisterd. Veel belangrijker is alle aandacht van de media voor politieke partijen in nieuwsuitzendingen en actualiteitenrubrieken.
Zwevende kiezer
De verkiezingsstrijd richt zich met name op de kiezers die het nog niet weten: de zwevende kiezers. Met het verdwijnen van de verzuiling verbinden steeds minder mensen zich levenslang aan dezelfde partij .
Het is mogelijk dit Politiek ABC als PDF te downloaden.
Meer informatie
Dit dossier wordt onderhouden door Harm Ramkema. Heeft u een opmerking of een vraag over de informatie in dit dossier, stuur dan een e-mail naar h.ramkema@publiek-politiek.nl of bel (020) 521 76 64.